Je hoort de gierzwaluw eerder dan je hem ziet: het gieren is een uit duizenden herkenbaar geluid. Als vliegende sikkels suizen ze door de lucht. Ze worden beschouwd als onze ‘zomerbrengers’, maar ze zijn er al in het voorjaar, weet Bert. ‘Rond Koningsdag, de eerste exemplaren vaak al medio april, komt hij terug uit Afrika en begin augustus vertrekt hij alweer’. Al spotte hij eens half september nog invliegers.
Een vogel die dus maar kort in Nederland aanwezig is. En hoewel de soort luidruchtig door de straten kan vliegen weten de meeste mensen niet dat hij bij hen onder de dakpannen nestelt. De gierzwaluw gaat namelijk vaak pas als het schemerig wordt naar zijn nest toe en verdwijnt snel onder het dak.
Laatkomer in de stad
Lelystad is pas relatief laat door de gierzwaluw ontdekt, vertelt Bert. ‘Dat komt omdat de eerste woningen in de stad (Zuiderzeewijk en Atolwijk) bijna allemaal platte daken zonder gaten hadden, terwijl gierzwaluwen – oorspronkelijk holenbroeders – holtes en losliggende dakpannen nodig hebben om onder te broeden.’ Uitzondering vormt het Smedinghuis, waar in Lelystad de eerste gierzwaluwen werden waargenomen. ‘Dat gebouw, met al zijn holtes en hoekjes, heeft wel iets weg van een rots’.
In datzelfde Smedinghuis, wellicht geïnspireerd door de gierzwaluwen die hij rondom het gebouw zag scheren, kwam een medewerker van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders op het idee om onder de dakpannen van nieuwbouwwoningen in Lelystad een klein hoekje open te laten om gierzwaluwen nestgelegenheid te bieden. Het Karveel, de wijk waar Bert is opgegroeid en waar hij als volwassene met zijn gezin in 2000 opnieuw ging wonen, werd zo één van de eerste wijken in Lelystad waar de gierzwaluw een kolonie vormde. ‘In 2004 zag ik er voor het eerst één onder het dak schieten’. Sindsdien volgt Bert de gierzwaluw in zijn woonwijk – vanaf maart dit jaar ook professioneel in dienst van Landschapsbeheer Flevoland.