Een aardappelmand vol herinneringen aan vroeger
Een oude aardappelmand in de schuur brengt bij Egbert Voerman warme herinneringen boven aan vroeger. In deel 91 van Uit de polderklei blikt hij terug op de tijd dat hij met zijn ouders de polder in ging om aardappels te poten en te rooien, een traditie die jarenlang een vast onderdeel van het gezinsleven was.
Voor iemand anders is het oud ijzer, maar voor mij heeft hij waarde: de aardappelmand van mijn vader. Hij staat op een plekje in de tuinschuur. Ik doe er niets mee, maar toch kan ik het niet over mijn hart verkrijgen hem weg te doen. Als ik ernaar kijk, komen er dierbare herinneringen boven.
Naast zijn eigen volkstuintje aan de rand van het Zuigerplasbos had mijn vader ook ieder jaar een aardappellandje op een akker, ergens langs de Torenvalkweg. Speciaal voor personeel van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders. De poters haalde mijn vader in het voorjaar op een vast adres. Aardappels poten was een gezinsuitje. Mijn vader maakte de gaten in de ruggen en ik stopte de poters erin en dekte ze af met aarde. Grote poters sneed mijn vader doormidden, uit elke helft groeide een nieuwe plant.
De familie hielp mee met rooien
Als het tijd was om te rooien, werd de hele familie ingeschakeld. Zelfs ooms uit Drenthe hielpen mee, en gingen naar huis met een juten zak vol eigenheimers uit de polderklei.
Als kind vond ik de groteske vormen die sommige aardappels hadden grappig. Ik zag er gezichten in, of dieren. Soms zat er een rotte aardappel tussen; alsof je in een homp snot greep. Brrrr!
De gerooide piepers belandden in de ijzeren mand. Na een beetje schudden viel de meeste aangekoekte klei tussen de spijlen van de mand door. Als de mand vol was, werden de aardappels overgegooid in een juten zak. De uitstulping die mijn vader in de mand had gemaakt, zorgde ervoor dat de piepers keurig achter elkaar in de zak vielen.
We gingen door met rooien tot we twee zakken vol hadden, meer pasten niet achterin de auto. Het met de hand rooien van het veldje duurde wel een paar dagen.
Een voorraad om maandenlang van te eten
Thuis had mijn vader in een donkere hoek van de garage een grote kist getimmerd waarin de aardappels koel werden opgeslagen. Kleed eroverheen, zodat er zo min mogelijk zonlicht bij kwam. De voorraad was groot genoeg om met het hele gezin maandenlang van te kunnen eten. Bijna dag aardappelen, met seizoensgroenten uit de eigen volkstuin. Zondags aten we soep, die zaterdag was klaargemaakt.
De nieuwe aardappels smaakten heerlijk en waren lekker kruimig. Je kon ze goed prakken met wat jus erbij. Tegen de tijd dat de bodem van de voorraadbak was bereikt, maanden later, waren de aardappels niet meer zo lekker. Ze kregen ’armpjes’ en voelden als rubber als je ze schilde. Maar dan zaten de nieuwe poters alweer in de grond en begon de hele cyclus opnieuw.
Deze traditie duurde voort tot in de laatste jaren van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, die in 1989 werd opgeheven.