‘Harmonie dankzij kleinheid’ – hoe een journalist in januari 1958 het pionierskamp Lelystad vastlegde

Het Stuurhuis in Lelystad Haven, 1956. Foto: Harry Pot, Nationaal Archief/Anefo

Een stad zonder geschiedenis? Dat is Lelystad allerminst. In de rubriek Uit de polderklei diept Egbert Voerman verhalen op uit een ver en nabij verleden. Deel 75 gaat over het bezoek van een journalist aan het pionierskamp in januari 1958.

In januari 1958 reist journalist Sem Davids voor De Groene Amsterdammer naar het voorlopige Lelystad, dat dan nog nauwelijks meer is dan een pionierskamp midden in het nieuwe land. Oostelijk Flevoland is net drooggevallen, maar van vaste grond is nauwelijks sprake. ‘Dat ‘droog vallen’ neme men niet te letterlijk’, schrijft Davids. Grote delen van de polder zijn nog moeras, met riet en ‘vele duizenden watervogels. Eenden vooral’.

‘Alles in het nette’

Lelystad zelf telt ongeveer 280 inwoners, zo’n zeventig gezinnen. De nederzetting bestaat vooral uit houten huizen en heeft iets filmisch, maar zonder de romantiek van een Western. Davids schetst het beeld scherp: ‘Een pionierskamp is het huidige, het voorlopige Lelystad, dat wel. Maar alles in het nette. Wat men hier drinkt is geen whisky of jandoedel en zelfs geen bier, maar thee of limonade of witte ragoütsoep’.

Geen ‘wild-west-sheriff’

Het gezag berust bij landdrost ir. Arie Pieter Minderhoud , door Davids omschreven als geen ‘wild-west-sheriff’, maar wel ‘de machtigste, onafhankelijkste burgemeester van het koninkrijk’. In hem zijn burgemeester, college en gemeenteraad verenigd. De samenleving is klein, overzichtelijk en opvallend onverdeeld: ‘Lelystad is nog niet verzuild; iedere zuil is nog zó laag, dat het nog maar een stompje is’.

Een oude ansichtkaart van Werkeiland Lelystad. Archief Egbert Voerman

Tweedeklas standplaats

Het leven is rustig, soms eenzaam. Voor boodschappen, ontspanning of een bioscoop moet men naar Harderwijk. Dat maakt het bestaan duur, zeker omdat Lelystad ambtelijk een tweedeklas standplaats is, met salariskorting. Toch klinkt er ook trots. In het Stuurhuis – tegelijk dorpshuis en bestuurscentrum – komen bewoners samen, kerken delen ruimtes en schoolkinderen leren naast elkaar, ongeacht achtergrond. Davids vat het kernachtig samen: ‘Harmonie dus dank zij kleinheid’.

‘De koning van het eiland’

Maar al in 1958 tekent zich verandering af. Lelystad zal uitgroeien tot een grote stad, misschien wel de hoofdstad van een nieuwe provincie. Niet iedereen kijkt daar reikhalzend naar uit. Sommige bewoners voelen heimwee naar het ruwe begin, toen alles mogelijk leek. Dat gevoel vangt Davids in een indringend slotbeeld, waarin de pioniersziel nog even tastbaar is:

‘Er zijn in Lelystad mensen, wie al die toekomstige keurige geordendheid maar slecht zint. Zij hebben heimwee naar hun pioniers-periode. „Ik was hier de eerste bewoner”, zo vertelde mij een hunner met iets merkwaardig extatisch in zijn stem, „ik woonde hier in een ark met mijn gezin helemaal alleen. Mijn zoontje van zes — al die werklui waren gek op ‘m; hij was de koning van het eiland. Dat was een leven! Daar weten ze hier niks meer van.”’

error: Content is protected !!