In januari 1958 reist journalist Sem Davids voor De Groene Amsterdammer naar het voorlopige Lelystad, dat dan nog nauwelijks meer is dan een pionierskamp midden in het nieuwe land. Oostelijk Flevoland is net drooggevallen, maar van vaste grond is nauwelijks sprake. ‘Dat ‘droog vallen’ neme men niet te letterlijk’, schrijft Davids. Grote delen van de polder zijn nog moeras, met riet en ‘vele duizenden watervogels. Eenden vooral’.
‘Alles in het nette’
Lelystad zelf telt ongeveer 280 inwoners, zo’n zeventig gezinnen. De nederzetting bestaat vooral uit houten huizen en heeft iets filmisch, maar zonder de romantiek van een Western. Davids schetst het beeld scherp: ‘Een pionierskamp is het huidige, het voorlopige Lelystad, dat wel. Maar alles in het nette. Wat men hier drinkt is geen whisky of jandoedel en zelfs geen bier, maar thee of limonade of witte ragoütsoep’.
Geen ‘wild-west-sheriff’
Het gezag berust bij landdrost ir. Arie Pieter Minderhoud , door Davids omschreven als geen ‘wild-west-sheriff’, maar wel ‘de machtigste, onafhankelijkste burgemeester van het koninkrijk’. In hem zijn burgemeester, college en gemeenteraad verenigd. De samenleving is klein, overzichtelijk en opvallend onverdeeld: ‘Lelystad is nog niet verzuild; iedere zuil is nog zó laag, dat het nog maar een stompje is’.