Dansen op een kraagstuk

'Van vader op zoon in het rijshout', in de Flevolander van 30 augustus 1955.
Deel 44 gaat over een bijzonder beroep.
 

Van een lezeres kreeg ik afgelopen zomer een bijzondere stapel oude kranten, waaronder de nummers 1 en 2 van de eerste jaargang van de Flevolander , het ‘algemeen nieuwsblad voor Oostelijk Flevoland’. In de editie van 30 augustus 1955 staat een stukje over de rijswerkers op perceel P, zoals het werkeiland Lelystad toen werd genoemd. Een bijzonder ambacht waarin de mannelijke bewoners van het Noord-Brabantse dorp Werkendam waren gespecialiseerd.

Van vader op zoon overgedragen

De Werkendammers hadden hun leerschool in de buurt, de Biesbosch. In de winter werd het hout gehakt en in de zomer verwerkt in lange en korte wiepen (bundels rijshout, meestal wilgentenen), waarmee kraagstukken werden gemaakt. Dat waren reusachtige gevlochten matten. Het vak werd van jongsaf geleerd en van vader op zoon overgedragen. De mannen trokken mee met de dijkbouw.

Rijswerkers op perceel P maken een kraagstuk. Foto: H van der Weij

De kraagstukken werden afgezonken aan de voet van de dijk om het gedeelte van de dijk dat onder de waterlijn lag te beschermen. Om het wegspoelen van zand of andere fijne deeltjes tegen te gaan, werden in de kraagstukken eerst rieten matten, later plastic matten, verwerkt. De kraagstukken werden op hun plaats gehouden met ‘stort’: grote stenen.

‘Alsof er een groot en vrolijk feest in Lelystad was’

Op een ondergrond van balken zetten de mannen in anderhalf uur zo’n kraagstuk in elkaar. ‘Opeens zie je daarna het hele stel er op ronddansen alsof er een groot en vrolijk feest in Lelystad was’, schrijft de verslaggever van de Flevolander in 1955. ‘De bedoeling is echter het kraagstuk vast in elkaar te stampen. Tenslotte worden de touwen losgemaakt en worden de kraagstukken van de helling het water in geduwd. Volgende ronde’.

Een kraagstuk. Foto: Beeldbank Rijkswaterstaat

Rijswerkers namen hun eigen vleespan mee van huis

De rijswerkers hadden een eigen kok, staat in het boekje Geschiedenis Werkeiland Lelystad 1950-1958 (1992). Ze namen traditioneel elke week, wanneer ze van huis kwamen, hun eigen vleespan mee. ‘Daarin lag, onder een laag gestold vet, het vlees voor een hele week. Hun kok maakte elke avond de vleespannen warm op het grote fornuis. ‘s Avonds was het er erg gezellig, wanneer de steenzetters en rijswerkers met elklaar hun aardappelen schilden’.

De kraagstukken werden op hun plaats gehouden met ‘stort’: grote stenen. Foto: Beeldbank Rijkswaterstaat
error: Content is protected !!